Selecteer een pagina

 

Paar jaar geleden zag ik een fijn schilderij in het Kröller-Muller Museum. Ik werd er door getroffen. Misschien omdat ik toen zelf bezig was met het maken van stillevens. Het zag er picasso-achtig uit, maar dat kon het niet zijn vanwege de weemoedige naïviteit die erin zat. Toch was ik helemaal weg van het schitterende schilderij. Tisch mit Gitaren. 1915. Öl auf leinwand. 73 x 92 cm. Juan Gris. Ik bezong mijn lyrische museum ervaringen bij mijn vrienden. En later op mijn verjaardag kreeg ik van Els een prachtig en vrij zeldzaam boek over Juan Gris. Ademloos heb ik al zijn kubistische schilderijen en tekeningen bestudeerd.

 

Picasso heeft het vuurtje aangestoken. Met zijn beroemde schilderij uit 1906: Les Mademoiselles d’Avignon. Dit schilderij had totaal niks van doen met kubisme of wat dan ook. Wel alles met Afrikaanse maskers. Maar goed, iemand had de term kubisme verzonnen en de hele kunstwereld stortte zich erop. Duchamp, Braque, August Macke en nog een hoop anderen. Geometrisch, analytisch en syntetisch kubisme. Je kon het krijgen in alle smaken. En dat van die afrikaanse maskers was men alweer gauw vergeten. Picasso zelf besloot om ook maar mee te doen. En hoe! Als een manische tornado ging ie eroverheen, als de absolute meester. Tegen de tijd dat Juan Gris aan zijn twaalfde kubistische schilderij begon had Pablo er al duizend af en was al met vijf totaal andere dingen door elkaar bezig. Powerfull, inventief en een adembenemende kwaliteit, en helaas ook een gruwelijke kwantiteit waar je auwwh tegen zeg. Nee, dat was geen pretje om kubistisch schilder te zijn in het Picasso-tijdperk. Picasso ging maar verder en verder, Juan Gris is voor de rest van zijn leven blijven hangen bij de kubus. Nog steeds ben ik erg gek op Tisch mit Gitaren uit het Kröller-Muller. Maar het beste schilderij van Juan Gris is net geen echte Picasso. De ware meester.

 

Ik ken mijn klassieken, en ik eer nog steeds mijn leermeesters van vroeger. En ik heb me ook vaak bezondigd aan epigonisme. Soms onbewust maar meestal en later heel bewust. Gewoon om te leren, om me in te leven. Om die persoon en die specifieke manier van fotograferen te doorgronden. Daar heb ik veel van geleerd. Lastiger wordt het als je erniet meer onderuit kan komen. Als je de klepel niet kan vinden van die klok die je altoos maar blijft horen. Dat je door de macht en kracht van je grote voorbeeld geen eigen alternatieven kan ontdekken of maken. Tja, dan wordt het pijnlijk. Zoiets is me ooit gebeurd met de zuurkool-portretten van Richard Avedon. Maar goed, ik denk er overheen te zijn gekomen.

 

Ooit was er hier in fotoland een discussie over epigonisme. August Sander heeft heel veel mensen staandend gefotografeerd, jawel. Rieneke Dijkstra fotografeert ook vaak jongelui staand. Dus konkludeerde een zwakzinnige beroemde nederlandse fotograaf dat Rieneke dan maar een epigoon van August was. Die hele discussie sloeg werkelijk nergens op. Armoede troef. En dat terwijl er in Nederland toch heel wat vrolijke en verdienstelijke epigonen rondlopen.

 

Frank van der Salm is een weergaloos fotograaf. Hoe hij het voor mekaar krijgt is ongelooflijk. Op alles wat hij doet ben ik jaloers. Ik wou dat ik zoveel kon reizen. En dat ik zulke mooie klanten had. En dan ook nog die chique museale aandacht. Help; dan voel ik mezelf weer heel erg klein. Alleen zonder Andreas Gursky had zijn fotografie nooit bestaan. Wis en waarachtig. Frank heeft zo een beetje het hele complete idioom van Andreas overgenomen. En hij doet dat zo enthousiast dat je het vermoeden krijg dat Frank net niet snapt waar het Andreas nou werkelijk om te doen is. Een mooi en indrukwekkend gebouw is voor van der Salm al voldoende om te excelleren. Andreas heeft dat niet nodig die ontdekt andere geheimzin in de architectuur. Frank schiet altijd in het open veld, waar zijn prooi rustig, reeds half aangeschoten, op hem ligt te wachten. Andreas zoekt gespannen in ieder soort struikgewas naar zijn zeldzaam wild. Frank heeft een kanon van een camera. Maar Andreas is de meest ontspannen scherpschutter, ongeacht de ammunitie die hij gebruikt. Frank vilt zijn wild, terwijl Andreas de meest kunstzinnige taxidermist is. Hij zet zijn wild op, en daarmee zal hij geen middel voor ongebruikt laten. Omdat Andreas Gursky zich zo akelig bewust is wat hij zelf doet, weet hij als geen ander hoe hij zijn eigen werk kan manipuleren. Een eigentijdse beeld-magiër. Frank documenteert het verleden, Andreas construeert de toekomst. Andreas heeft de typologiën van Bernd en Hilda Becher en Frank van Salm ver achter zich gelaten. Hij weet dat de wereld is verworden tot één grote typologie waarvan Frank een nietig onderdeeltje van is. Van der Salm gebruikt het perspectief, Andreas is het perspectief. Frank is mijn kampioen op de brommer. Andreas mijn absolute Formule-1-fotograaf.

 

Soms creeërt Frank een eigen stijlbloempje, maar die overtuigen mij nooit net niet. Ik hoop dat ie ooit eens de boeg omgooit, zodat we authentieke van der Salms te zien krijgen. Waar heb ik het over? Ikzelf ben geen jonkie meer, ik denk te weten hoe het spelletje fotografie in elkaar zit. En toch zie ik gelukkig nog steeds weer prachtige jonge mensen die mij verrassen met hun nieuwe eigen inzichten. Frank helaas niet. En dat terwijl u en ik weten dat Frank een weergaloos goeie fotograaf is. Daar valt niks op af te dingen. Alleen de beste foto van Frank van der Salm is helaas net geen Andreas Gursky. De ware meester.


 

 

 

 

Foto: Frank van der Salm titel: ‘Queue’ 2005 90 x 118 cm 35,4 x 46,5 inches Endura/Perspex/Dibond http://www.frankvandersalm.nl/

++


++

Pin It on Pinterest

Share This

Schrijf je in voor

Mijn Nieuwsbrief

En blijf op de hoogte van mijn nieuwe artikelen. Die uitsluitend zullen gaan over mijn zoektocht en ideëen betreffende [fotografie]

You have Successfully Subscribed!